Klachtenbehandling, registratie, advies en voorlichting Regio Groningen a a a
  • -
  • -
  • -

Activiteiten kalender


Bekijk de activiteiten van de provincie Groningen.

« Mei 2012 »
ZMDWDVZ
 12345
6789101112
13141516171819
20212223242526
2728293031 

Vijftig punten over ‘haat’

 

1                    Haat is een hot issue. En dan bedoel ik het publiekelijk aanzetten daartoe, met de bedoeling die haat tussen mensen op te wekken. Dat wordt ook wel haatzaaien genoemd. Het staat nu in de belangstelling door het proces tegen Geert W. Over het proces dat momenteel tegen hem loopt, zal ik uiteraard nu niets zeggen omdat die zaak nog steeds onder de rechter is. Wel wil ik het met U over het verschijnsel haat hebben en over hoe dat in de lokale gemeenschap het hoofd kan worden geboden.

 

2                    Om de gedachten over ‘haat’ te bepalen, zal ik wat voorbeelden ervan noemen. Op een website werd de vraag gesteld “Straffen voor een aanslag op een Islamitische school?” De beheerder van die site beantwoordt de door hem zelf opgeworpen vraag: “wat dacht je van een beloning voor het verdedigen van je vaderland!”. Hij vervolgt: “aan het onderwijs in het slaan van vrouwen, vermoorden van alle niet-islamieten, frauderen, drugshandel mag best wel op zo’n manier een eind worden gemaakt”. Aanzetten tot haat of niet? De Rb Den Haag (12 mei 2011, LJN BQ 4301) vond van wel. En wat dacht U van de volgende uiting: “Het is goed dat Milosovic zoveel Moslims heeft afgemaakt. Die parasieten kwamen naar zijn land en bezetten het. We weten allemaal dat moslims geen compromissen sluiten. Ze willen alles hebben”. Ook deze uiting beoordeelde de Haagse rechter als aanzettend tot haat.

 

3                    Haat is verbale agressie. Zoals elke agressie, is haat een inbreuk op de autonomie van degene wie de haat betreft. Zij raakt een fundamenteel aspect van het slachtoffer: diens eigenheid. Haat randt ‘jezelf zijn’ aan.

 

4                    Daarom is aan de overheid de verplichting opgelegd haatzaaien tegen te gaan. Die verplichting ligt niet alleen in verdragen besloten, zij vloeit ook en bovenal voort uit een grondrecht dat ik omschrijf – in de woorden van de Amerikaanse rechtsfilosoof Ronald Dworkin – als het recht van de burger om te worden behandeld als een volwaardig mens in een gemeenschap van andere volwaardige mensen (vgl. R. Dworkin, Justice for hedgehogs, 2011, p. 335; hij noemt the right to an attitude zelfs the basic human right).

 

5                    Er is een aloude wijsheid van de profeet Hosea zoals deze is weergegeven in de herziene Statenvertaling van 2010: ‘want wind zaaien zij, maar een wervelwind zullen zij oogsten’ (Hosea 8:7).

 

6                    Haatzaaien is wellicht nog relatief klein, maar het leidt tot iets heel groots. Als we niet oppassen, leidt die wervelwind uiteindelijk tot genocide. Wellicht (vooralsnog) niet in Groningen; maar in bijvoorbeeld het voormalige Joegoslavië en in Oost-Afrika heeft zich dit uiteindelijk voltrokken.

 

7                    Wat is haat? Het woord is gemakkelijk in de mond genomen; haar omschrijven is wat anders. Laat ik een tamelijk neutrale omschrijving geven: haat is een gevoel van minachting voor, en afkeer van iemand anders met daarbij een wens om die ander te doen verwijderen uit de gemeenschap.

 

8                    Voor ons is het van belang in te zien dat het gaat om gevoelens van afkeer voor anderen. Andries Hoogerwerf – emeritus hoogleraar beleidswetenschap aan de Universiteit Twente - spreekt in zijn recent verschenen boek over “destructieve haat”: de haat die zich keert tegen fundamentele waarden (grondrechten) zoals vrijheid, gelijkheid en, zo voegt Hoogerwerf daar aan toe, verdraagzaamheid ten opzichte van groepen (Hoogerwerf, Haat tegen minderheden, 2011, p. 11).

 

9                    Wat weten we eigenlijk over haatzaaien, behalve dat zoiets niet ‘hoort’? Hoe vaak komt het voor? Overlast in de buurt, hangjongeren, fietsendiefstallen – je kunt het allemaal meten en in kaart brengen. Maar haat?

 

10                En wat zijn de verschijningsvormen van haatzaaien? Kunnen we een groei ervan feitelijk waarnemen, nu bepaalde politieke bewegingen bepaalde groepen mensen als politiek beginsel, buiten de samenleving (willen) plaatsen? In welke verschijningsvorm doet het haatzaaien zich voor? Met welke andere gedragingen gaat het gepaard? Doet het zich in bepaalde gebieden voor? In Stad? In Zuidoost Groningen? We kunnen er naar gissen.

 

11                Eigenlijk weten we – empirisch – vrijwel niets over haatzaaien. Willen we daartegen ‘beleid’ bedenken, dan begint dat uiteraard eerst met het ‘meten’ van haatzaaien. En wat we zien is nog maar een topje van de ijsberg, vermoed ik. Veel haatzaai ligt verscholen in alledaags, soms andersoortig crimineel gedrag.

 

12                Het zou interessant zijn als daartoe een criminele kaart, een ‘haatzaai’-kaart geproduceerd wordt (ik laat daar de vraag hoe zo’n kaart geoperationaliseerd zou moeten worden). De meting van rechts-extreem gedrag in Zuid-Oost Groningen destijds is natuurlijk een mooie eerste aanzet daartoe geweest. Ook in Fryslân zijn interessante initiatieven op dit punt van start gegaan. Ligt hier niet een mooie taak voor het DMG?

 

13                Haat heeft vele vaders. Voor de hand liggende voedingsbodems zijn afgunst en rancune, in combinatie met sociaal niet al te beste omstandigheden (maar niet iedereen die in dergelijke omstandigheden verkeert, is rancuneus en haat anderen, terwijl de rancune – bijvoorbeeld tegen de elite of tegen de politiek of rechterlijke macht – natuurlijk ook bij de meer welgestelden voorkomt).

 

14                Haat komt ook voort uit sociale ongelijkheid (in de meest brede zin van het woord), waar in de ogen van hen die zich in die achtergestelde positie bevinden, ogenschijnlijk of misschien echt wel niets tegen gedaan wordt. Het klassieke essay van Menno ter Braak (Het Nationaal-socialisme als rancune-leer, 1937) is op dit punt nog steeds heel leerzaam.

 

15                Nu is haat, ook in deze omschrijving, een gevoel. Niet meer dan dat. Wat moeten wij er mee en vooral: wat moet een lokale beleidsambtenaar er mee? Kan hij/zij er überhaupt wat mee? Dat denk ik wel. Ik kom daar later op terug.

 

16                We moeten ons realiseren dat het gevaar van het gevoel haat schuilt in het gegeven dat haat in handelen over kan gaan: het begint met stigmatiseren, loopt via het beledigen en discrimineren naar het uitsluiten van groepen mensen (Hoogerwerf, a.w., 2011, p. 9). En, zoals ik al eerder zei, het kan eindigen in geweld.

 

17                Wij kennen in onze strafwet een bepaling waarin de haat wordt genoemd. Dat is art. 137d Sr (in het openbaar aanzetten tot haat tegen een groep mensen wegens onder meer godsdienst of ras).

 

18                U zult begrijpen dat rechters in voorkomende gevallen worstelen met de vraag wat ‘haat’ in strafrechtelijk opzicht betekent. En wat ‘aanzetten daartoe’ omvat. In de strafrechtelijke context ligt het natuurlijk niet voor de hand met emotie-termen te werken. Er zal daarvan een meer neutrale, een juridisch operationele definitie gegeven moeten worden.

 

19                Wanneer zet iemand aan tot haat? Waar het strafrechtelijk op neer komt, is dat er uitingen worden gedaan die - door discriminatie van en gewelddadig gedrag tegen mensen te propageren - geschikt kunnen worden geacht dat geweld tegen en die uitsluiting van bepaalde groepen mensen te bewerkstelligen.

 

20                Zo omschreven, wordt de haat – en het aanzetten daartoe – ‘tastbaar’ of ‘zichtbaar’ gemaakt. De bij het begin van deze lezing gegeven voorbeelden passen daar naar mijn mening goed in. 

 

21                Hoe manifesteert haat (in de strafrechtelijke betekenis van het woord) zich? Op velerlei wijzen. In de eerste plaats: openlijk. Denk aan degene die in het openbaar roept dat alle Moslims de provincie Groningen dienen te verlaten omdat ‘wij’ hier geen Moslims willen.

 

22                In de tweede plaats – en ik vermoed dat dat veel meer voorkomt – de ‘bedekte’ haatzaaierij: iemand spuit op de muur die tekst. Uit de praktijk weten wij dat de eigenaar van de muur aangifte zal doen van vernieling die dan vervolgens als zodanig wordt geregistreerd. De dader (als die in beeld komt) krijgt dan een transactie of wordt vervolgd ter zake van vernieling, terwijl het tot haat-aanzettend gedrag buiten beeld blijft. Dat is onbevredigend.

 

23                Het is natuurlijk goed dat de overheid instrumenten heeft om daar tegen op te treden. Overigens wordt er niet vaak langs de strafrechtelijke weg gereageerd, tenminste afgezet tegen het aantal gevallen waarin er evident sprake is van haat-aanzettend gedrag. Er wordt, blijkens de cijfers, betrekkelijk weinig aangifte gedaan ter zake van art. 137d Sr. En dan nog: de strafrechtelijke weg levert het slachtoffer niet heel veel op, behalve publieke erkenning dat iemand heeft aangezet tot haat. De erkenning levert wel een bevestiging van de norm op en is daarom relevant.

 

24                De haatzaaier zou ook op basis van onrechtmatige daad kunnen worden aangesproken. Nog daargelaten dat de vraag naar schuld, schade en causaliteit in gevallen van haat een lastige is, kost een civiele procedure veel tijd en geld (zeker als de griffie-rechten worden verhoogd tot een buitenproportionele omvang, zoals het Kabinet dat beoogt).

 

25                Maar voor we naar ‘conflictoplossingen’ gaan zoeken, lijkt het mij interessanter na te gaan welk beleid tegen haatzaaien kan worden ingezet.

 

26                Ik stipte het al eerder aan: er is wel aanleiding te veronderstellen dat gevoelens van haat met name voortspruiten uit sociale ongelijkheid en het daaruit voortspruitende gevoel dat men zelf onvoldoende aan de bak komt. Dat roept in eerste instantie verontwaardiging op, daarna rancune en vervolgens zet men zich af tegen ‘nieuwkomers’. In de Nederlandse context bestaan die nieuwkomers voornamelijk uit (leden van) mediterrane minderheidsgroepen.

 

27                Als het daarom gaat, kan ik met Hoogerwerf (2011, p. 115) meegaan, als hij beweert dat beleid tegen haatzaaien niet zozeer een beleid moet zijn dat minderheden steunt en/of hen positief discrimineert. Het moet gaan om het bestrijden van armoede, en – zo voeg ik er Uyliaans aan toe – om het verdelen van middelen en het verspreiden van kennis.  

 

28                En daarnaast moet het, denk ik, de ‘minderheden’ duidelijk maken dat zij hier te lande er mede verantwoordelijk voor zijn dat, zoals anderen dat plegen te zeggen, de boel bij elkaar gehouden wordt. 

 

29                Maar, zo vraag u zich terecht af, wat moet ik er mee? Wat kan ik tegen haat doen?

 

30                Naar mijn idee: vrij veel. Meer dan u wellicht nu vermoedt.

 

31                Het begin is natuurlijk: een lokale, en vooral: vitale democratie (vgl.  Hoogerwerf 2011, p. 116). Een lokale democratie die zichtbaar aanwezig is.  Een vitale democratie waarin het stimuleren van deelname daaraan door de burgers tot verantwoordelijkheden van de lokale politici behoort. Daarin is geen plaats voor haat en voor het zaaien ervan. Zij veronderstelt een actieve deelname aan de lokale instellingen; in elk geval veronderstelt zij dat elke burger van welke afkomst of denominatie dan ook, belangstelling heeft voor wat er leeft in de plaatselijke samenleving.

 

32                En zeer wezenlijk daarvoor is dat elke burger - andermaal: van welke afkomst of denominatie dan ook - in zijn sociale en etnische verscheidenheid wordt gerespecteerd. Hoogerwerf beveelt dan ook aan dat vanuit het lokale bestuur de positieve betekenis van de sociale en culturele verscheidenheid in de eigen kring  “ronduit” wordt verdedigd (a.w., p. 116).

 

33                Op lokaal niveau kan dit goed tot uiting komen in het actief optreden tegen (plaatselijk) racisme en tegen discriminatie. Dat begint al bij het verwijderen van racistische graffiti op de muur.

 

34                Daarnaast moet de negatieve beeldvorming actief bestreden worden. Daarbij zouden we de rechter niet nodig moeten hebben; in plaats daarvan daag ik lokale bestuurders uit zich (telkens) expliciet tegen haatzaaien uit te spreken. Wijs daarbij de burger op haar verantwoordelijkheid met betrekking tot het in stand houden van de diversiteit.

 

35                Hier is het waar het DMG in beeld komt. Over het DMG is het vandaag al meer dan genoeg gegaan. Ik kan evenwel niet voldoende benadrukken dat het DMG naar mijn oordeel een belangrijke schakel is in de lokale strijd tegen de haat en het haatzaaien. Het DMG kan de regisseur zijn in het geven van tegengas. 

 

36                Niet alleen bezit het DMG veel kennis op het terrein van de minderheden (ik zeg daar zo nog wat over); het DMG is daarnaast natuurlijk een spin-in-het-web van allerhande maatschappelijke organisaties die elkaar moeten weten te vinden als het gaat om de bestrijding van haat. Dat betekent dat lokaal bestuur en het DMG elkaar moeten kennen; elkaar moeten weten te vinden. En, zou ik zeggen, niet op elkaar moeten gaan wachten. 

 

37                Daarnaast zou het DMG nog meer dan zij nu al doet, met de (lokale) regiopolitie en het OM kunnen overleggen. Naar mijn mening is het ook noodzakelijk dat het DMG regulier om de tafel gaat zitten met het lokale bestuur. In dit verband verdient het aanbeveling dat, zoals ik dat al eerder en elders heb betoogd, het DMG zich nestelt in het Veiligheidshuis (hetgeen overigens niet geldt voor de onafhankelijke klachtenbehandeling).

 

38                Naar mijn mening moet het DMG nog veel meer naar buiten treden. Vraag zo meteen hier buiten aan de eerste de beste Stadjer wat DMG betekent, en de kans is groot dat hij of zij je glazig aankijkt. Ik denk dat het DMG en zijn werk nogal onbekend is. Dat moet echt anders.

 

39                Er moet aan het corporate image van het DMG nog veel gebeuren! Begin maar met het huren van een pand aan de Grote Markt. Dan is zij pas zichtbaar. Verbind, DMG, u zich rechtstreeks met de burger. U moet actiever worden; u moet de lokale bestuurder én de burger voorzien van argumenten tegen het zaaien van haat.

 

40                Daarmee kan aan de opdracht van art. 1 Grondwet worden voldaan (in die beginselverklaring ligt natuurlijk ook een opdracht besloten).

 

41                Maar er is - daarnaast - nog een andere manier om art. 1 Grondwet te concretiseren. Daarover mijn voorlaatste punt.

 

42                Dat is niet in het bijzonder gericht op het DMG of op de lokale bestuurder. Dat richt zich op iedere burger. In zijn boek over beschaving en democratie geeft de Amerikaanse filosoof Stephen Carter aan dat civility, hetgeen ik met de socioloog Bas van Stokkom (Mondig tegen elke prijs, 2008, p. 34) maar vertaal als ‘fatsoen’, een belangrijke piketpaal is in het sociale verkeer (Stephen Carter, Civility; manners, morals and the etiquette of democracy, 1998, p. 161 e.v).

 

43                Van belang is de notie dat fatsoen - als een niet te overschrijden grens in de verhouding tot anderen - conflictueuze verhoudingen niet op scherp zet. De meningen kunnen en zullen van elkaar verschillen, maar uitingen daaromtrent zijn niet ‘onnodig grievend’, juist doordat deze binnen de grenzen van de civility blijven.

 

44                Fatsoen bewerkstelligt een constructief debat over datgene waarover de haatzaaier zich zo uitdrukkelijk als zodanig uitlaat. Fatsoen doorbreekt ook de muur waarachter de gefrustreerden, de rancuneuzen (zoals ik eerde heb gezegd vormen rancune en frustratie een voedingsbodem van haat) zich verschuilen.

 

45                Laatstgenoemden moeten niet weg gezet worden. Zij moeten worden uitgenodigd om mee te praten. Het DMG, en zeker: ook de lokale overheid, moet ook hen opzoeken. Dat betekent dat voor hen het haatzaaien niet functioneel meer zal zijn.

 

46                Aan art. 1 Grondwet, het gelijkheidsbeginsel én het fundament van het DMG, wordt ook op deze wijze gestalte gegeven: het betrachten van fatsoen, van civility, over en weer.

 

47                Tenslotte: haat-conflicten worden idealiter onderling opgelost. Daarin kan het DMG natuurlijk voorzien. Voor zover ik dat overzie, gaat dat natuurlijk in een aantal gevallen goed. Maar helaas moet geconstateerd worden dat in sommige gevallen bemiddeling niet slaagt en een en ander slechts leidt tot aangifte of klacht bij de politie. 

 

48                Ik kan dan niet nalaten, mij af te vragen welke sociale processen op dat individuele niveau hebben bewerkstelligd dat er geen onderlinge oplossing is gekomen. Is daar ooit systematisch empirisch onderzoek naar gedaan? Zonder daar nu diep op in te gaan, kan ik mij goed voorstellen dat ook hier het DMG gaat investeren in hoe het de bemiddeling zo effectief mogelijk zal gaan doen, met het meeste rendement.

 

49                In elk geval lijkt het mij noodzakelijk dat het DMG veel investeert in mediation-technieken. Professionaliteit is van belang. Ik denk namelijk dat het DMG als bemiddelende instelling buitengemeen goed geschikt is om haat tussen de burgers door middel van één-op-één gesprekken te doen verdampen.

 

50                Het lijkt mij een perfecte manier om de opdracht die in art. 1 GW besloten ligt, te vervullen én die over te dragen aan hen tussen wie bemiddeld wordt. Een uitdagende opdracht aan het DMG .  

 

Fred Janssens, Groningen 19 mei 2011